Guus Bosman verhaal 1

De eerste levensjaren in Zwolle [1940-1952]
Op 27 juni 1940 ben ik in Zwolle geboren, tegenover de Sassenpoort. Mijn ouders Jan Bosman en Dirkje Bosman-Hopman kwamen uit Elburg en hadden een eigen banketbakkerij in Zwolle. Ook had ik nog een tien jaar oudere broer Aart die in Groningen was geboren.
Het was een prachtige zomerse dag en mijn moeder vertelde dat ik enkele uren na de geboorte al op het balkon stond. Mijn voorkeur voor de zomerperiode heeft daar ongetwijfeld mee te maken.
Mijn broer Aart is wel naar zijn opa genoemd en in de kinderrijke gezinnen van toen heetten dus een flink aantal neven Aart, wat het niet altijd gemakkelijk maakte. Er was dus een omvangrijke groep Bosmannen en Hopmannen in Elburg, die ook bijna allemaal in hun geboorteplaats bleven hangen.
Mijn ouders waren in feite een uitzondering in de familie die hun heil elders zochten buiten Elburg. Gezien de korte afstand tussen Zwolle en Elburg was er een redelijk frequent contact met een deel van de familie in Elburg, vooral met opa en oma Bosman. Van mijn moeders kant waren de grootouders [Hopman-de Militie] al overleden toen ik geboren werd.

De omstandigheden na mijn geboorte waren niet geweldig. Een goede maand eerder was ons land in korte tijd door het Duitse leger overrompeld en de eerste invloeden van de bezettingstijd waren al zichtbaar, Duitse soldaten in onze straten. Na een lange crisistijd was het Nederlandse leger in deplorabele toestand, met fietsen tegen tanks schiet het niet op. Weliswaar lieten de Duitse soldaten zich tegen mijn moeder lovend uit over mijn blonde haren en blauwe ogen, maar het karakter daarvan speelde toen nog niet. Op een vraag van mijn moeder, die voor de duvel niet bang was, waarom ze Nederland hadden overvallen, was het simpele antwoord: “Wir können doch keine Steinkohle fressen”.
Over de eerste jaren van mijn leven kan ik nog niet veel vertellen; de menselijke herinnering begint pas vanaf een jaar of vier. Ondanks de bezettingssituatie rolde het leven de eerste jaren van de oorlog in Zwolle rustig door. Er was voldoende te eten, de scholen waren gewoon open en de banketbakkerij ook. Toch was de schaarste aan bepaalde grondstoffen al snel merkbaar en liep ook de vraag naar banketproducten terug. Veel van deze historie kwam natuurlijk later van mijn ouders. Ook de verhalen van de honger winter, dat familie uit Amsterdam met de handkar lopend voedsel kwam halen bij ons. Met een door honger verzwakt lichaam was dat geen eenvoudige opgave.

In de latere oorlogsjaren moesten klanten de grondstoffen meenemen om een taart te laten maken. Vanaf een jaar of vier ging ik naar de kleuterschool in centrum Zwolle, veel herinner ik me daar niet van. Het leeftijdsverschil met mijn broer was te groot om als kinderen veel aan elkaar te hebben gehad.
Later is dat helemaal goed gekomen maar uit mijn jeugd heeft hij alleen de herinnering dat hij zijn militair getinte speelgoed flink moet beveiligen tegen de vernielzucht van zijn kleine broer. Bekend is wel dat Aart in de oorlogsjaren op de HBS in Zwolle zat en het daar goed deed.
In 1942 kreeg ik er nog een zusje bij Willie, op zich een leuke gebeurtenis, tot duidelijk werd dat zij een zwaar down syndroom had. In die tijd was die naam nog onbekend en waren het gewoon mongooltjes. De eerste jaren was zij thuis, wat voor mijn moeder een grote belasting was omdat zij ook nog de ondernemersvrouw was die in de winkel moest staan en voor de centjes moest zorgen. Later kwam er een interne hulp wat het leven voor vooral mijn moeder wat makkelijker maakte.
De hulp was er de hele dag en zorgde voor Willy en mij. Zij is er een aantal jaren geweest. Er was verder weinig aandacht. Mijn moeder had het druk met de zaak en met Willie. Als ik uit school kwam, gaf de hulp iets te drinken en ging ik op de fiets naar vriendjes. We aten ’s avonds wel in gezinsverband en in de avond had mijn moeder het druk met Willie wat een heel ritueel was.
Zwolle werd al relatief vroeg bevrijd door de Canadezen en Engelsen. Dat kan ik mij nog wel herinneren. De bevrijding ging met strijd gepaard en tijdens bombardementen zaten we in de kelder van het belastingkantoor. Ik herinner mij nog lange gangen met duizenden belastingdossiers en veel buurtbewoners. In die tijd kwamen ook veel bommenwerpers over richting Duitsland. Mijn moeder zat dan met beide kleintjes op de wc onder de trap en mijn vader en Aart stonden op het dak naar de vliegtuigen te kijken en het Duitse afweergeschut.

Vlak voor de bevrijding moest mijn vader met duizenden andere Zwollenaren nog korte tijd gedwongen helpen met het graven van loopgraven voor de Duitsers bij de IJssel om de geallieerden tegen te houden.
Na de oorlog was er natuurlijk het beeld van de Engelse en Canadese soldaten met jeeps en bren carriers, die jacht maken op Duitsers en de kinderen verwenden met chocoladerepen. Zelfs voor een zoon van een banketbakker een nieuw product want cacao was een zeer schaars product in de oorlogsjaren.
Na de bevrijding kwam het normale leven langzaam weer op gang. Ik ging naar de Nutsschool in Zwolle, op loopafstand van ons huis.
Aart ging naar de padvinderij en mocht ook nog enkele maanden naar Engeland om de oorlogsherinneringen kwijt te raken en aan te sterken. In die tijd had hij een gevonden Duits Luger pistool zonder munitie geruild met een Canadese militair voor een Engels pistool met munitie. De politie had dat al snel in het snotje en ze kwamen bij ons thuis om het wapen te zoeken. Mijn moeder was zo overtuigd van de onschuld van haar zoon dat ze de politie zelfs opmerkzaam maakte op zijn geheime bewaarplek. Toen was het natuurlijk bekeken.
Na de bevrijding kwam ook prins Bernhard in Zwolle. Ik mocht hem een handje geven omdat ik in de tuin speelde met een vriendje en Bernhard door diens vader, Tjeerd Willink, werd ontvangen. De Nutsschool was een wat elitaire school. Als zoon van een banketbakker maakte ik mij natuurlijk populair door op verjaardagen op gebakjes of ijsjes te trakteren. IJsjes kon ik natuurlijk niet meenemen, dus werd ik na afloop van de school gevolgd door een rij klasgenoten, mijn vader dan de ijsjesman was. Dat was weer het voordeel midden in de zomer jarig te zijn.


Aart zat op de HBS in Zwolle, mijn zusje was nog thuis maar ging na korte tijd uit huis naar een instelling waar de verzorging betere mogelijkheden bood.
Als jongetje was ik redelijk mollig, wat ook weer niet zo gek is als je zoon van een banketbakker bent. Aart was minder snoeperig en had dan ook een normaal postuur.
Ik was dan ook geen geweldige sportman hoewel ik wel op de twee plaatselijke voetbalclubs heb gezeten, nl. PEC en ZAC, de laatste club vooral bekend door Bep Bakhuis. Snel was ik niet, ik werd dus back en ze kwamen niet zo makkelijk langs mij. Was dat soms toch het geval dan had ik het nakijken want inhalen was er natuurlijk niet bij.
Andere activiteiten waren onder meer dat ik lid was van een zondag school via het eerste vriendinnetje van Aart, Elly Heida.
Mijn ouders waren hervormd maar niet erg actief. De hervormde kerk was een staatskerk en je moest in die tijd naar rato van inkomen bijdragen en daar had mijn pa niet veel zin in. Elburg was onderdeel van de ‘bible belt’, mijn ouders hadden daar vroeger het nodige van meegekregen. Mijn familie bestond van mijn moeders kant uit vissers en van mijn vaders kant uit vishandelaren. Opa Bosman liep vaak ’s nachts met paard en wagen van Elburg naar plaatsen als Deventer en Apeldoorn. Vooral in de winter was dat niet altijd een pretje. Ik heb als kind de haven van Elburg nog vol met botters gezien. De botter was het vaartuig van de vissers.

Het IJsselmeer was toen veel groter. Elburg als vissersplaats was voorbij toen Flevoland klaar was.
Opa Bosman reed met paard en wagen postbestellingen voor van Gend en Loos in Elburg dat door zoon Aart [een oom van onze Aart en mij ] werd gerund. Ik ben wel met hem mee geweest als ik zomers in Elburg logeerde, ook bij de tantes Mieke en Greta. Oma Bosman- van Dorp was inmiddels al overleden. Pa Bosman was een verwoed paardrijder, hij reed paard bij een boer in de omgeving. Het ging zelfs zover dat hij in Zwolle nog enige tijd eigenaar is geweest van een manege. In die tijd werd Aart gesignaleerd als pistoolschutter, hij oefende dan in de manege.
Naast paardrijden was ook motorrijden een hobby van hem. Hij had een mooie blauwe twee cilinder BMW, naar mijn mening een overgespoten Duitse legermotor. Vaak werden er tochtjes gemaakt met mij in het midden. Aart was al een stuk ouder en gebruikte de motor voor joyriding in de omgeving van Zwolle met vrienden, uiteraard buiten weten van mijn vader die soms door boeren in de omgeving werd ingelicht over zijn joyrider zoon.
Aart was toen ook bij de padvinderij, menigmaal zijn we in Ommen op bezoek geweest bij Aart die daar aan het kamperen was.
Eind jaren veertig werd duidelijk dat Aart niet zou kiezen voor het banketbakkersberoep. Hij had de HBS A met goed gevolg afgerond en koos voor een universitaire studie economie in Groningen en ging dus ook verhuizen. Hun idee werd toen een zaak in Den Haag te kopen voor hun tweede zoon, voor mij dus.
De banketbakkerij in Zwolle was daarvoor aan de kleine kant. De plannen werden steeds concreter en begin jaren vijftig ging het dus gebeuren, de verhuizing naar Den Haag. Ik zat zelf aan het begin van de zesde klas toen dit ging gebeuren. Mijn vader had de zaak inmiddels gekocht in Den Haag, dat wil zeggen het pand gehuurd en de inventaris gekocht.